Detransitie: hoe vaak komt het echt voor?
Officiële schattingen variëren van 1% tot 33%. Het verschil zit niet in de realiteit — het zit in wie je telt, hoe lang je volgt en wat je "detransitie" noemt.
De 1%-claim
Voor- en bevestigingsstemmen verwijzen consequent naar percentages onder de 3%. WPATH, Coleman et al. (2022), publiceerde een Standards of Care met een gerapporteerde detransitie-rate van 0,3% tot 3,8% — overgenomen uit een paar grote kliniekstudies, met name het Amsterdamse Wiepjes-cohort (2018) en het Engelse Davies-cohort (2019). Die cijfers worden in vrijwel elke beleidsdiscussie aangehaald om de zorg te kalmeren: spijt is zeldzaam.
Het probleem is dat deze studies een specifieke definitie hanteren: detransitie = formeel terugverzoek bij de kliniek om de behandeling stop te zetten en/of medische re-transitie. Iemand die zelfstandig met testosteron stopt en de kliniek nooit meer terugziet — verreweg het meest voorkomende patroon — telt niet mee. Iemand die nog testosteron gebruikt maar zich weer als vrouw identificeert: telt niet mee. Iemand die in stilte spijt heeft maar de mastectomie niet kan terugdraaien: telt niet mee.
De 20-33%-cijfers
Recentere studies die op andere manieren meten, vinden veel hogere percentages. De Vandenbussche-survey (2021) onder 237 detransitioneerders vond dat 86% nooit had teruggekoppeld aan de kliniek. Een Britse online-bevraging onder oud-patiënten van Tavistock vond dat 25-30% van de respondenten zichzelf op enig moment niet meer als trans identificeerde. Het Voor Zij-onderzoek schatte op basis van uitval en survey-data dat tot een derde van de medische transitioneerders binnen tien jaar tot een vorm van detransitie of regret komt — een cijfer dat in deze analyse van de 33%-bevinding wordt onderbouwd.
Een internationaal samenwerkingsverband (DARE-studie, MacKinnon et al. 2025) volgde detransitioneerders kwalitatief en kwantitatief. De studie laat zien dat detransitie geen lineair traject is: mensen identificeren zich gedurende jaren wisselend, stoppen periodiek met hormonen, hervatten, twijfelen. Het rigide WPATH-criterium "formele kliniek-terugkoppeling" mist dit hele spectrum. De volledige bevindingen staan in deze bespreking van de DARE-studie en de detransitie-paden.
Lost-to-follow-up: het grote zwarte gat
De meeste klinieken verliezen 25-50% van hun patiënten binnen vijf jaar. Geen contact meer, geen vervolgafspraken, geen uitkomstdata. In het Wiepjes-cohort (Amsterdam) was de follow-up beperkt; de Engelse cohorten verloren een vergelijkbaar percentage. Wie wegblijft, telt in de regret-statistieken als "succes" — omdat geen klacht ook geen tegenbewijs is. Statistici noemen dit survivor bias; in dit veld is het systemisch.
De claim dat lost-to-follow-up vooral mensen betreft die het goed gaat, is empirisch onhoudbaar. Detransitioneerders rapporteren juist actief contact-vermijding met hun voormalige behandelaars: gevoel van veroordeling, schaamte, woede over informed consent dat tekortschoot. Zij verdwijnen uit de cijfers omdát ze spijt hebben, niet ondanks.
De Roberts-studie en de York-data
Christina Roberts (Mayo Clinic) publiceerde in 2022 een grote review die gestoken zat in het traditionele 1%-frame, maar in de discussiesectie erkende dat de echte cijfers waarschijnlijk hoger liggen vanwege definitionele beperkingen. De Universiteit van York, die de evidence-reviews voor de Cass Review uitvoerde, kwam tot een meer realistische schatting: tussen de 5% en 15% van de medisch gemedicaliseerde minderjarigen detransitioneert binnen tien jaar — met een sterke onderschatting door follow-up-verlies.
Een uitvoerige bespreking van het York-onderzoek naar detransitie laat zien hoe methodisch geavanceerd cohortbeheer leidt tot wezenlijk andere percentages dan de WPATH-cijfers suggereren.
Het ROGD-effect
De cijfers zijn extra zorgwekkend voor de huidige populatie van adolescent-onset, meisjes-dominante, comorbide-zware patiënten. De oude cohorten (waarop de 1%-claim rust) bestonden uit klassieke vroegkinderlijke dysforie-patiënten — een groep die structureel anders is dan de huidige verwezen jongeren. Voor de ROGD-populatie zijn de detransitie-percentages waarschijnlijk veel hoger, omdat hun dysforie cultureel-contextueel werd geconstrueerd en dezelfde sociale dynamiek die haar deed ontstaan, haar later doet vervagen.
Een diepere analyse van de empirie en methodologie staat in deze samenvatting van detransitie-percentages in onderzoek. De kortste samenvatting: wie 1% beweert, vertrouwt op studies die slechts klinisch-gemelde gevallen tellen. Wie 20-30% beweert, kijkt naar de bredere populatie en houdt rekening met lost-to-follow-up.
Waarom het verschil ertoe doet
Een detransitie-rate van 1% rechtvaardigt forse medicalisering bij minderjarigen — risico's voor enkelen, baten voor de meerderheid. Een rate van 15-30% maakt diezelfde rekensom onmogelijk. Bij die percentages zou geen enkele andere medische ingreep — geen behandeling voor depressie, geen orthopedische operatie, geen psychiatrisch medicament — nog standaard worden voorgeschreven. Zeker niet bij minderjarigen, en zeker niet met onomkeerbare gevolgen.
Het verschil tussen 1% en 30% is dus geen academische curiositeit. Het bepaalt of het hele behandelmodel medisch-ethisch verdedigbaar is. Voor de meeste systematische reviews — Cass, NICE, SBU, PALKO — is het antwoord op dat punt al gevallen: bij de huidige stand van bewijs en gegeven de detransitie-signalen, is voorzichtigheid een morele plicht, geen ideologische keuze.