Detransitie: hoe vaak komt het echt voor?

Gerapporteerde cijfers variëren van minder dan 1% tot ongeveer 30%. Het verschil zit niet in de realiteit — het zit in wie je telt, hoe lang je volgt en wat je "detransitie" noemt.

De 1%-claim

Voor- en bevestigingsstemmen verwijzen consequent naar percentages onder de 3%. Een veelgenoemde bron is het Amsterdamse cohort van Wiepjes e.a. (2018): van de mensen die een gonadectomie ondergingen, had 0,6 procent van de transvrouwen en 0,3 procent van de transmannen spijt (bron). Die cijfers worden in vrijwel elke beleidsdiscussie aangehaald om de zorg te kalmeren: spijt is zeldzaam.

Het probleem is dat deze studies een specifieke definitie hanteren: detransitie = formeel terugverzoek bij de kliniek om de behandeling stop te zetten en/of medische re-transitie. Iemand die zelfstandig met testosteron stopt en de kliniek nooit meer terugziet — verreweg het meest voorkomende patroon — telt niet mee. Iemand die nog testosteron gebruikt maar zich weer als vrouw identificeert: telt niet mee. Iemand die in stilte spijt heeft maar de mastectomie niet kan terugdraaien: telt niet mee.

De 20-33%-cijfers

Studies die op andere manieren meten, vinden hogere percentages. In het Amerikaanse militaire zorgsysteem gebruikte na vier jaar nog 70,2 procent van 952 transgender jongeren en volwassenen genderbevestigende hormonen; bijna 30 procent was dus gestopt, om redenen die de studie niet meet (bron). Littman (2021) vond dat slechts 24 procent van 100 detransitioners hun behandelaar over de detransitie had ingelicht (bron).

MacKinnon e.a. (2025) onderscheidden bij 957 mensen in de VS en Canada die hun transitie stopten, verschoven of terugdraaiden vier groepen, met redenen als psychische gezondheid, een veranderde identiteit, discriminatie en drempels in de zorg; detransitie kan samengaan met spijt én met tevredenheid over eerdere keuzes (bron). Het rigide WPATH-criterium "formele kliniek-terugkoppeling" mist dit hele spectrum. De volledige bevindingen staan in deze bespreking van de DARE-studie en de detransitie-paden.

Lost-to-follow-up: het grote zwarte gat

In het Amsterdamse cohort van Wiepjes e.a. kwam 36 procent van de behandelde mensen na verloop van jaren niet meer terug bij de kliniek (bron); in een Britse dossierstudie raakte 21,7 procent uit beeld (bron). Geen contact meer, geen vervolgafspraken, geen uitkomstdata. Wie wegblijft, telt in de regret-statistieken als "succes" — omdat geen klacht ook geen tegenbewijs is. Statistici noemen dit survivor bias; in dit veld is het systemisch.

Dat lost-to-follow-up vooral mensen betreft die het goed gaat, is niet aangetoond. Detransitioneerders rapporteren juist actief contact-vermijding met hun voormalige behandelaars: gevoel van veroordeling, schaamte, woede over informed consent dat tekortschoot. Een deel verdwijnt dus mogelijk uit de cijfers juist omdát ze spijt hebben.

De Roberts-studie en de York-data

Christina Roberts en collega's (2022) deden geen review maar een registerstudie in het Amerikaanse militaire zorgsysteem; zij maten of mensen na vier jaar nog hormonen gebruikten, niet of ze spijt hadden (bron). Volgens de Cass Review is het percentage detransitie onbekend, omdat langlopend vervolgonderzoek ontbreekt.

Een uitvoerige bespreking van het York-onderzoek naar detransitie gaat dieper in op de meetproblemen.

Het ROGD-effect

De cijfers zijn extra zorgwekkend voor de huidige populatie van adolescent-onset, meisjes-dominante, comorbide-zware patiënten. De oude cohorten (waarop de 1%-claim rust) bestonden uit klassieke vroegkinderlijke dysforie-patiënten — een groep die structureel anders is dan de huidige verwezen jongeren. Critici verwachten dat de detransitie-percentages in deze groep hoger zijn; betrouwbare cijfers ontbreken.

Een diepere analyse van de empirie en methodologie staat in deze samenvatting van detransitie-percentages in onderzoek. De kortste samenvatting: wie 1% beweert, vertrouwt op studies die slechts klinisch-gemelde gevallen tellen. Wie hogere cijfers noemt, kijkt bijvoorbeeld naar wie met hormonen stopt of houdt rekening met lost-to-follow-up.

Waarom het verschil ertoe doet

Een detransitie-rate van 1% rechtvaardigt forse medicalisering bij minderjarigen — risico's voor enkelen, baten voor de meerderheid. Een rate van 15-30% maakt diezelfde rekensom onmogelijk. Bij die percentages zou geen enkele andere medische ingreep — geen behandeling voor depressie, geen orthopedische operatie, geen psychiatrisch medicament — nog standaard worden voorgeschreven. Zeker niet bij minderjarigen, en zeker niet met onomkeerbare gevolgen.

Het verschil tussen 1% en 30% is dus geen academische curiositeit. Het bepaalt of het hele behandelmodel medisch-ethisch verdedigbaar is. Voor de meeste systematische reviews — Cass, NICE, SBU, PALKO — is het antwoord op dat punt al gevallen: bij de huidige stand van bewijs en gegeven de detransitie-signalen, is voorzichtigheid een morele plicht, geen ideologische keuze.

Bronnen

  1. Vandenbussche E. Detransition-Related Needs and Support: A Cross-Sectional Online Survey. Journal of Homosexuality. 2021;69(9). pubmed.ncbi.nlm.nih.gov

Veelgestelde vragen

Waarom lopen de detransitie-cijfers zo uiteen?

De lage cijfers (bijvoorbeeld Wiepjes 2018: 0,3 tot 0,6 procent spijt na gonadectomie) tellen alleen wie bij de kliniek bekend is. Wie zelfstandig stopt en niet terugkeert, telt niet mee. Studies die meten wie met hormonen stopt, zoals Roberts (2022), komen op hogere percentages.

Wat is lost-to-follow-up en waarom vertekent het de cijfers?

In het Amsterdamse cohort kwam 36 procent na verloop van jaren niet meer terug, in een Britse dossierstudie raakte 21,7 procent uit beeld. Wie wegblijft telt in de statistieken als impliciet succes; Littman (2021) vond dat slechts 24 procent van de detransitioners de behandelaar inlichtte.

Gelden de lage detransitie-cijfers ook voor de huidige groep jongeren?

Dat is onzeker. De oude cohorten bestonden vooral uit jongeren met vroegkinderlijke dysforie; de huidige groep verschilt daarvan. Critici verwachten hogere detransitie-percentages, maar betrouwbare cijfers ontbreken.