De klassieke ontwikkelingspsychologie gaat er al decennia van uit dat genderidentiteit vroeg in de kindertijd vastligt en daarna stabiel blijft. Een nieuwe Nederlandse studie in het European Journal of Developmental Psychology zet daar vraagtekens bij. Onderzoekers volgden 933 jongeren gedurende acht meetmomenten, van gemiddeld 18,7 jaar bij de eerste meting tot ver in de jongvolwassenheid, en vroegen hen telkens opnieuw naar hun genderidentiteit. Bij ongeveer één op de twintig deelnemers veranderde die identiteit minstens één keer — bij sommigen zelfs vaker.

Acht metingen in plaats van één momentopname

Het grootste deel van het bestaande onderzoek naar genderidentiteit meet één keer, of vergelijkt hooguit twee momenten met elkaar. Deze studie deed dat acht keer bij dezelfde groep jongeren, verspreid over meerdere jaren. Die opzet maakt zichtbaar wat een eenmalige meting per definitie mist: niet alleen óf iemands genderidentiteit verandert, maar ook hoe vaak en in welke richting dat gebeurt. Voor een gemiddelde deelnemer in deze steekproef bleek een op zichzelf staande meting dus een momentopname te zijn, geen garantie voor wat iemand vijf jaar later nog zegt.

Niet alleen tussen jongen en meisje

De veranderingen die de onderzoekers vonden, waren niet allemaal van hetzelfde soort. Een deel van de jongeren wisselde tussen de klassieke binaire identiteiten — van jongen naar man, of van meisje naar vrouw, wat op zichzelf al ingaat tegen het beeld van een kindertijd-tot-volwassenheid-continuïteit. Een ander deel ging op enig moment een non-binaire identiteit overwegen, hetzij door zich expliciet non-binair te noemen, hetzij via uiteenlopende eigen omschrijvingen die niet netjes in de bestaande hokjes pasten. Genderidentiteit bleek in deze groep dus niet één ding dat wel of niet verandert, maar een verzameling van verschillende soorten beweging.

Wat dit betekent voor het beeld van een 'ware' identiteit

In het gangbare affirmatieve model wordt genderidentiteit vaak voorgesteld als een innerlijk gegeven dat er altijd al was en dat door zorg of sociale erkenning alleen nog bevestigd hoeft te worden. Deze langlopende Nederlandse data passen daar moeilijk bij: als bij één op de twintig jongeren de zelfgerapporteerde identiteit tussen puberteit en jongvolwassenheid verschuift, dan is 'dit is wie ik altijd al was' voor een deel van deze groep achteraf een minder stabiele beschrijving dan het op het moment zelf leek. De onderzoekers trekken zelf geen conclusies over behandelbeleid — hun studie gaat over het meetmoment van identiteit, niet over de vraag of transitie voor een individuele jongere de juiste stap is. Maar het voegt wel een concreet gegeven toe aan een debat waarin klinieken en wetgevers regelmatig uitgaan van een stabiliteit die deze cijfers relativeren.

Voor jongeren zelf, en voor ouders die twijfelen over wat ze bij hun kind zien, is de kernboodschap nuchter: een genderidentiteit die zich op je zestiende aandient, is volgens deze data niet automatisch dezelfde identiteit die iemand op zijn vierentwintigste heeft. Dat pleit niet tegen zorgvuldigheid of erkenning, maar wel tegen onomkeerbare beslissingen op basis van een momentopname.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Wat hield deze Nederlandse studie in?

Onderzoekers volgden 933 jongeren gedurende acht meetmomenten, van gemiddeld 18,7 jaar bij de eerste meting tot in de jongvolwassenheid, en vroegen hen telkens opnieuw naar hun genderidentiteit.

Hoeveel jongeren veranderden van genderidentiteit?

Ongeveer één op de twintig deelnemers rapporteerde minstens één verandering in genderidentiteit tussen de eerste en latere metingen; sommigen veranderden meerdere keren.

Ging het alleen om wisselen tussen jongen en meisje?

Nee. Een deel wisselde tussen de klassieke binaire identiteiten, een ander deel ging op enig moment een non-binaire identiteit overwegen of gebruikte eigen omschrijvingen die niet in de bestaande categorieën pasten.