Een nieuwe Britse studie trekt een opvallende conclusie: autistische en niet-autistische jongeren die zich melden bij een genderkliniek verschillen niet wezenlijk in hun genderprofiel. Fysh en collega's vergeleken in Autism Research (2026) vier groepen jongeren — autistisch en niet-autistisch, verwezen naar een gespecialiseerde Britse genderkliniek, plus cisgender autistische en niet-autistische controlegroepen. Op vrijwel alle gendergerelateerde metingen (vragenlijsten over genderidentiteit, genderdysforie en lichaamsbeeld) scoorden de twee verwezen groepen vergelijkbaar. Alleen tussen de cisgender- en de genderdiverse groepen was het verschil groot, ongeacht autisme.

Voor wie de discussie over autisme en genderzorg volgt, is dat een verrassende uitkomst: uit tientallen eerdere onderzoeken — waaronder de grote oververtegenwoordiging van autisme in genderklinieken die op deze site al eerder is beschreven — blijkt dat autistische jongeren veel vaker met genderdysforie worden verwezen dan hun aandeel in de algemene bevolking zou doen verwachten. De vraag was altijd: verschillen zij dan ook inhoudelijk van niet-autistische leeftijdgenoten in hoe zij hun genderidentiteit beleven? Fysh e.a. concluderen van niet.

Wat de vragenlijsten wél en niet meten

Het probleem zit in wat er precies vergeleken is. De onderzoekers gebruikten gestandaardiseerde zelfrapportage-vragenlijsten bij jongeren die al door een verwijzer waren geselecteerd en al door de kliniek waren geaccepteerd voor verder onderzoek. Binnen die groep — mensen die dus al aan de klinische criteria voor verwijzing voldeden — is het weinig verrassend dat de gemeten 'genderprofielen' op elkaar lijken: de meting zelf is toegesneden op wat een genderkliniek als genderdysforie herkent, niet op de onderliggende weg waarlangs iemand daar terechtkwam. Een score op een vragenlijst zegt niets over de stabiliteit van die identiteit over jaren, over de mate waarin iemand extern beïnvloedbaar is, of over het vermogen om de gevolgen van een medische behandeling te overzien.

Dat laatste punt kreeg in het Verenigd Koninkrijk juist veel aandacht. De Cass Review wees niet op een afwijkend genderprofiel bij autistische jongeren, maar op de vraag of zij, gezien kenmerken als rigide denken, moeite met perspectiefwisseling en een verhoogde gevoeligheid voor sociale en online narratieven, in dezelfde mate in staat zijn om de onzekere en deels onomkeerbare gevolgen van een medische transitie te overzien. Dat is een heel andere vraag dan of een vragenlijst dezelfde score oplevert.

Een steekproef die de vraag al half beantwoordt

Er is nog een methodologisch probleem: alle deelnemers kwamen uit één gespecialiseerde Britse kliniek en waren al door die kliniek geaccepteerd. Jongeren bij wie een clinicus autisme als verklaring zag voor de genderklachten — en die dus juist niet werden doorverwezen voor verdere genderzorg — zitten niet in deze steekproef. Een recente Amerikaanse cohortstudie (Topaz e.a., 2026, eveneens in Autism Research) onderzocht 786 dossiers van jongeren die wél bij een genderkliniek terechtkwamen en vond dat autistische jongeren daarbinnen juist een herkenbaar ander profiel hadden: vaker een hogere sociaaleconomische positie, vaker als (hoog)begaafd geregistreerd, vaker non-binair in plaats van binair transgender, en gemiddeld op een vroeger puberteitsstadium bij aanmelding. Twee vergelijkbare studies, in hetzelfde tijdschrift, in hetzelfde jaar — en toch wijzen ze niet dezelfde kant op. Dat is precies waarom één onderzoek met een geruststellende uitkomst niet als eindpunt van de discussie kan dienen.

Wat hiervan overblijft

De studie van Fysh e.a. laat zien dat autistische en niet-autistische jongeren die eenmaal door een genderkliniek zijn geaccepteerd, op papieren vragenlijsten een vergelijkbaar genderprofiel scoren. Dat is een smal en specifiek gegeven. Het zegt niets over waarom autistische jongeren veel vaker in die klinieken terechtkomen, niets over de vraag of hun identiteit even stabiel blijkt op de langere termijn, en niets over de vraag of zij de gevolgen van medische stappen even goed kunnen overzien als niet-autistische leeftijdgenoten. Wie de studie gebruikt om te concluderen dat autisme in de genderzorg 'er dus niet toe doet', leest er iets in dat er niet in staat. Voor jongeren bij wie de genderdysforie zich plotseling en op latere leeftijd aandient — een groep waarin autistische kenmerken relatief vaak voorkomen — blijft zorgvuldige differentiaaldiagnose dus onverminderd belangrijk.

Een bredere blik op hoe vaak autisme samengaat met een verwijzing naar genderzorg staat op genderautisme.nl, dat een recente overzichtsreview over deze oververtegenwoordiging bespreekt.

Bronnen

Fysh, T. e.a. (2026). Gender Identity Profiles in Autistic and Non-Autistic Cisgender and Gender Diverse Youth, and Their Caregivers. Autism Research. Volledige tekst: pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC12853228.

Topaz, C. e.a. (2026). Autism Spectrum Disorder Among Gender-Diverse Children and Adolescents: A National Cohort Study. Autism Research. Samenvatting: pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/41873702.

Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report. NHS England.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Betekent deze studie dat autisme geen rol speelt bij genderdysforie?

Nee. De studie vergeleek alleen jongeren die al door een genderkliniek waren geaccepteerd en vond dat hun vragenlijstscores vergelijkbaar waren. Dat zegt niets over de bekende oververtegenwoordiging van autisme bij verwijzingen, of over verschillen in stabiliteit van identiteit en beslissingsvermogen op langere termijn.

Wat vond de studie van Fysh e.a. precies?

Op gestandaardiseerde vragenlijsten over genderidentiteit en genderdysforie scoorden autistische en niet-autistische jongeren die naar een Britse genderkliniek waren verwezen, vergelijkbaar. Cisgender jongeren scoorden op alle metingen duidelijk anders dan de genderdiverse groepen, ongeacht autisme.

Waarom noemt de Cass Review autisme dan wel als aandachtspunt?

De Cass Review richtte zich niet op het genderprofiel zelf, maar op de vraag of kenmerken van autisme — zoals rigide denken en gevoeligheid voor sociale narratieven — het vermogen beïnvloeden om de onzekere en deels onomkeerbare gevolgen van medische transitie te overzien. Dat is een andere vraag dan die de nieuwe studie beantwoordt.